Het schemert. Bijna thuis passeer ik het flatgebouw waar ik woon. Vanuit de auto zie ik door een van de zijraampjes op mijn eerste verdieping een zacht oranje licht. Zo’n schijnsel dat je ‘avonds lopend op straat als Hollandse huiselijkheid door de ramen ziet stralen. Mensen aan tafel, achter de krant, voor de tv. Argeloos in Ruttes crisistijd.
Ik vraag me af welke lamp ik nu weer drie dagen heb laten branden. Het flakkert gelukkig niet. Dan zie ik het ineens. Op de witte muur onder mijn raam staat iets in blauwe verf gekladderd dat er voordien niet was, of ik moet er twintig jaar overheen gekeken hebben. Een woord, maar wat?
Heel even denk ik dat iemand het op mij gemunt heeft. Wat staat er, een scheldwoord? Bijgelicht door straatlantaarns uitgemaakt voor rotte vis, of erger. Welke vijanden heb ik. Geen toch?
Ik parkeer en loop nieuwsgierig maar gespannen terug om te kijken.
In strak gestileerde letters ontcijfer ik: ’TAG’.
De daders moeten ervoor op het dak van de tandarts geklommen zijn. Avond aan een drukke weg en niemand die iets opmerkt, ‘hé joh’, roept of iets doet. Nou ja wat moet je er ook mee.
De jongens met de airbrush en hun natuurlijke hoofdbedekking hebben na afloop een boks gedeeld en elkaar geholpen de twee en een halve meter af te dalen.
Jammer, maar ergens gun ik ze de spanning en de kleine, wat ouderwetse triomf. Hun plasje op een maagdelijke muur. Graffity was toch van de jaren negentig? Binnenkort komt de winterschilder.
Een kleine culturele rebellie waar de Russen straks wel raad mee weten.







