Dinsdagmiddag. Ik ben bij mijn ouders, koffiedrinken en ‘even wat dingen regelen’. Ik keuvel met ma als mijn pa out of the blue vraagt hoe de afstandsbediening ook alweer werkt. Hij heeft het ding weliswaar al dertig jaar bijna non-stop in zijn handen, maar vandaag kijkt hij ernaar alsof het een verdacht object is dat bij een druk op het verkeerde knopje zomaar kan ontploffen.
“Ja, wat nou, jij weet dat soort dingen toch?” zegt hij.
Dat zinnetje. Jij weet dat toch.
Vroeger wist híj dat toch… Hij wist alles. Welke zekering eruit lag als de bliksem weer eens te dichtbij was gekomen. Hoe je een band plakte. Wat je moest stemmen – en wat vooral niet. Hoe je van A naar B kwam zonder navigatie. Mijn vader was een wandelende handleiding. Als hij het niet wist, dan wist niemand het. Hij was de grootste in mijn ogen.
En nu sta ik dus naast hem en druk op het juiste knopje voor de zender die hij wil zien. Het is gênant hoe weinig heldhaftig dat voelt…
Mijn moeder doet ook nog steeds alsof er niets aan de hand is. “Ach, het valt wel mee, hoor” zegt ze, als ik haar vraag of alles nog een beetje lukt, qua ‘dingen regelen’. Ze heeft een dikke map met paperassen die voor haar ooit de overzichtelijkheid zelve was. Nu is het enkel nog een groot en rommelig archief van kleine zorgen. Verzekeringen, ziekenhuisbrieven en een hoop wachtwoorden op losse briefjes.
Of ik niet toch ‘even’ kan helpen?
Ik hoor mezelf zeggen: “Ik kijk er wel ‘even’ naar.”
‘Even’ is onderhand uitgegroeid tot een structureel en nooit aflatend takenpakket.
Als kind leer je eigenlijk nooit iets over hoe je later je eigen ouders moet opvoeden. Ik weet hoe ik een hypotheek afsluit, hoe ik een Tikkie stuur, hoe ik mijn kinderen moet loslaten, zodat ze – al dan niet met lichte paniek – in de grote wijde wereld kunnen rondrennen. Ik weet hoe relaties en belastingaangiftes gaan, en hoe ik mijn zaakjes moet regelen. Maar hoe begeleid je de mensen die jou ooit begeleidden?
Vroeger reed mijn vader in het donker door half Europa. Zonder kaart. Gewoon omdat hij wist waar hij was en waar het noorden lag. Nu zit hij naast me in de auto en vraagt of ik wel zeker weet dat dit de snelweg is, want ze rijden allemaal zo langzaam (tja, druk in de Randstad, hè). Maar hij vertrouwt me. En dat is nu juist het rare. Hij vertrouwt mij zoals ik ooit hem vertrouwde.
En nee, helpen is het probleem niet. Het zijn de barstjes in zijn eerdere, absolute onverwoestbaarheid. De kleine stiltes waarin hij naar een bepaald woord zoekt. De trap die ineens een sportieve prestatie wordt. De huisarts die zowat vaker langskomt dan de buurman.
Mijn ouders waren altijd het bewijs dat ik kind mocht blijven. Ze waren er gewoon. Als vaste inventaris. En ze waren de enigen die altijd wisten wat ze deden. Althans, dat dacht ik. Want wat ik ook deed, hoe dom ik ook was, zíj waren de volwassenen. Het vangnet. De laatste linie.
Nu is dat ongemerkt verschoven. Ineens ben ik degene die met de instanties moet bellen. Die DigiD-dingen regelt. Die zegt: “Laat mij dat maar ‘even’ doen.” Ik hoor mezelf praten in rustige, duidelijke en vooral praktische zinnen. Alsof ik weet wat ik doe.
En soms zucht ik. Dat is het lelijke deel. Als ik voor de derde keer uitleg hoe een app werkt. Als ik probeer duidelijk te maken dat een URL niet hetzelfde is als een e-mailadres. Als mijn moeder iets vraagt wat ik haar gisteren óók al heb uitgelegd. Dan voel ik irritatie. En daarna schaamte. Want zij hebben mij duizenden keren iets uitgelegd. Schoenveters. Breuken. Het verschil tussen verliefdheid en liefde.
En ik weet dat mijn kinderen dit straks ook gaan meemaken. Over uiterlijk twintig jaar staat Nick dan naast me en zegt: “Paps, je moet gewoon even op dat icoontje daar drukken. Net als gisteren.” En ik zal knikken, alsof ik het echt wel onthouden had.
Misschien is dit het ware groot worden. Niet de grijze haren. Niet die hypotheek. Maar het moment dat je ouders kleiner worden, zonder dat ze echt krimpen. Het moment dat ze meer op jou leunen dan jij op hen.
Na de ‘reparatie’ van de afstandsbediening zegt mijn pa: “Zo fijn dat jij er bent.”
En ik haal enkel mijn schouders op. “Ach, ja joh…”
Op weg naar huis denk ik: dit is het dus. Groter worden.
Niet omdat je meer weet.
Maar omdat er niemand meer boven je staat.




