We zaten bij Ron van Zalmsaus (Tom van Kalmthout-Rundfunk) in de Schouwburg van Groningen. Twee zeventigers die na een heerlijke voorstelling van het illustere duo, een paar maanden eerder, in de verwachting leefden dat een van de twee solo ook wel wat moest zijn.
Solide ouderen, misplaatst naar het scheen te midden van de voltallige Generatie Z van Stad en Ommeland. De sfeer uitbundig, net als de variatie in haardracht, uitdossing en energetische communicatie tussen de rijen.
“Mag ik u wat vragen?” Een lentefris meisje naast me, met alpinopet boven een bebop kapsel en wijde spijkerbroek boven dr. Adams. Zo weggelopen uit een zwartwit fotoreportage van Ed van der Elsken over de jeugd van Parijs midden jaren vijftig.
“Houdt u hier ook van?”
“Zeker.”
“Goh.”
“Hoezo goh?”
“Nou ja, dat verwacht je niet.”
“Want?”
…
“Toch is het zo, net als van Gummbah en Kamagurka, en groot geworden met Barend Servet en Sjef van Oekel en…”
“Wie?”
De mansplainer in mij, van plan te starten met een overzicht van het absurdisme vanaf Dada, moest noodgedwongen zijn klep houden, want daar ging het licht uit en met donderend applaus en gejoel kwam Ron zijn taalkundige genialiteit, verpakt in razendsnelle raps en snoeiharde melodieën, de zaal in smijten.
Vijf kwartier lang en zij kon alle teksten letterlijk en op snelheid uit het hoofd meebrullen, net als de hele rij voor ons.
“Goh…”







