– U heeft een hele mooie auto. Wat voor merk is het?
– Een Bentlij.
– Een Bentley?
– Ja, een Bentlij.
– Maar u zegt Bentlij. Met een lange ij. Het is een Bentley. Dat spreek je uit als Bentlie. Met een i-grec op het eind. Waar woont u?
– In Erdenhout.
– U woont in Aerdenhout?
– Dat zeg ik.
– Bent u daar geboren?
– Ja, daar ben ik gebeuren.
– Dus u rijdt in een Bentlij en u bent in Erdenhout gebeuren? Gaat u daar ook naar de beuker?
– Pardon?
– Haalt u uw brood bij de beuker?
– Nee, bij de bakker. In Erdenhout haalt iedereen zijn brood bij de bakker. Echt zo’n eutentieke bakker, die zijn brood nog op ambuchtelukke wijze bereidt.
– Verkoopt hij ook stokbreut?
– Nee, wel stokbrood. Dat halen we altijd op zondag als we gaan jagen. Glaasje beusjolei erbij. Heurlijk.
– Stokbrood met beaujolais? Als u gaat jagen, dan eet u stokbrood met beaujolais met uw vrienden?
– Ja, van beusjolei word je vreulik.
– Vrolijk?
– Ja, vreulik. Het is ontzettend leuk om met je vrienden gezellig een ambuchteluk bereid stokbroodje te eten met een glaasje beusjolei erbij.
– Drinkt u de hele dag?
– Ben je nou helemaal beteutert? Ik ga toch niet de hele dag drinken. Daar ga je raar van praten.
– Dat doet u ook. U praat heel vreemd. Net alsof u teveel gedronken heeft.
– Dat heb ik nog nooit geheurd. Ik denk dat het aan uw euren ligt. Ik zou ze maar eens laten deurspuiten, want als u zo raar blijft praten, dan stop ik dit gesprek. Mufkeutel.







