Zomer in het Belgische Luik. De zon brandt. Een glimmende Renault Espace met een Nederlands nummerbord rijdt langzaam door hartje stad. De airco loeit. Achter het stuur zit een man van middelbare leeftijd. Hij heeft een oranje poloshirt aan. Op zijn schoot ligt een taalgidsje.
De vrouw naast hem tuurt gespannen naar de smartphone die tegen de voorruit is geplakt. “Waze doet even raar, Theo. Maar misschien is dit wel een zijstraat van de doorgaande weg. Als we dan gewoon ergens een straat inslaan…”
Theo zegt niets. Totdat de Renault voor de derde keer langs een dubbel geparkeerde vrachtwagen rijdt. “Volgens mij hebben we hier een half uur geleden ook gereden, Monique.”
Monique kijkt verstoord op. “Daar kan ik toch niks aan doen?”
“Nu niet nee, maar twee uur geleden wel. Had je toen maar de doorgaande weg gevolgd.”
“Meteen voor de brug linksaf was volgens Waze korter. Alleen, we konden toen niet verder.”
Theo kijkt stuurs voor zich uit. “Nee, dat ging niet hè. Eenrichtingsverkeer.”
“Maar volgens Waze kon het wel!”
Theo zucht. “Zie nu maar weer eens terug te komen op de ringweg.”
Naast hem klinkt luid de blikken damesstem van Waze. “Probeer om te draaien.”
De Renault Espace houdt halt voor een rood stoplicht. Een oud, gebocheld vrouwtje op gympen schuifelt de weg over. Het raampje zoemt omlaag. Theo steekt zijn hoofd naar buiten. “Bonzjoer madam, la roet du suut, siel voe plè?” Het vrouwtje schuifelt onverstoorbaar verder. Theo kijkt haar na. Een dikke ader zwelt op bij zijn slaap. Hij vloekt binnensmonds.
Het verkeerslicht springt op groen. Theo trekt overdreven hard op.
De wagen boldert over de kinderkopjes. Monique staart nog steeds naar de smartphone. Theo kan vanuit zijn ooghoek zien hoe haar vinger lukraak ronddoolt over het schermpje.
“Weet je wat? Ga hier dadelijk eens rechts, schat.”
“Hier naar rechts?” Theo kijkt haar scherp aan. Zweet glanst op zijn voorhoofd. “Weet je nu opeens wel waar we zijn?”
“Ja, hier rechts.” Monique ontwijkt zijn priemende ogen.
Theo slaat rechtsaf. Na enkele honderden meters houdt de straat op en begint een enorm parkeerterrein. Theo stopt. Overal kasseien, ze trillen in de hitte. Hij kijkt verwilderd om zich heen. Dan draait hij zijn hoofd opzij. “Hoe heet deze straat dan volgens Waze? Nou?” Hij kijkt erbij alsof hij haar op een leugen betrapt.
Monique tuurt nog steeds naar het schermpje. Dan schraapt ze haar keel. “Weet ik niet.”
“Weet ik niet?”
“Nee.”
“Hoezo, weet je niet!?”
“Nou, ik bedoel, dat geeft ie niet aan. Ik denk niet dat parkeerterreinen een naam hebben.”
“Ja. Nou en?”
“Dus ik dacht, misschien is het handig om eens rechtsaf te gaan. Toch?”
Theo kreunt. Ik word gek, denkt hij. Hij legt zijn voorhoofd op het stuur van zijn Renault Espace. Alles plakt. Zijn onderbroek kleeft tussen zijn billen. Tranen van onmacht wellen op in zijn ogen. Naast hem haalt Monique diep adem. “Stom apparaat. Dan weet ik het ook niet meer.”
De airco loeit nog steeds. En de enige die de moed erin houdt, is Waze. “Probeer om te draaien, probeer om te draaien.”
Terug naar huis, als dat toch eens kon…



