Als je mij zou vragen een Top 25 samen te stellen van mijn favoriete speelfilms aller tijden zou het spaghetti-epos Once Upon a Time in the West uit 1968 van Sergio Leone hoogstwaarschijnlijk moeiteloos de Top 5 halen. Schier alles is perfect aan die film: de soundtrack van Ennio Morricone, het camerawerk, de vier hoofdrolspelers (Charles Bronson, Claudia Cardinale, Henry Fonda en Jason Roberts) en het verhaal ‒ tot de lange stiltes aan toe. Als een schilderij van Mondriaan, waarbij geen vlakje rood, geel of blauw ook maar één millimeter naar links of rechts, boven of beneden verschoven kan worden.
Ik zou zeker ook wat humor mijn Top 25 binnenloodsen. Twee goede kandidaten dienaangaande: Life of Brian (1979), de fameuze religie-satire van ’t Monty Python-collectief, en Groundhog Day (1993) met een excellerende Bill Murray. De betere romcom verdient ook ’n plekje: wat dachten jullie van Jack Nicholson en Helen Hunt in As Good as It Gets (1997)? De poëtische invalshoek mag ook niet ontbreken. Films die mij wat dat betreft meteen te binnen schieten: Lost in Translation (2003) van Sofia Coppola (met eerdergenoemde Bill Murray en Scarlett Johansson in de hoofdrollen) en het Berlijn-tweeluik van Wim Wenders: Der Himmel über Berlin (1987) en In weiter Ferne, so nah! (1993), met fascinerende bijrollen voor Peter Falk, Nick Cave en Lou Reed. Voorts zou ik plaats inruimen voor ten minste twee films met Sir Michael Caine: de nog immer onder ons zijnde Brit die op 14 maart 1933 geboren werd onder de ietwat koddige naam Maurice Joseph Micklewhite: léés zijn autobiografie What’s It All About?, zou ik zeggen: anekdotes om bij te watertanden! Mogelijk de klassieker Sleuth uit 1972 (met naast Caine de vermaarde Shakespeare-vertolker Laurence Olivier in de andere hoofdrol) en de zwarte komedie Deathtrap (1982), waarin ‘Superman’ Christopher Reeve en Dyan Cannon naast Caine schitteren.
Een Film Top 25 zonder op zijn minst één Nederlandstalige film kan eigenlijk niet. Waarschijnlijk zou ik opteren voor De Vierde Man, de duistere Gerard Reve-verfilming van de hand van ’s lands beroemdste regisseur Paul Verhoeven. En om snobistische film buffs, die mij zouden verwijten dat er alleen ‘moderne films’ ‒ films vanaf de jaren zestig ‒ in mijn lijst voorkomen, de mond te snoeren, zou ik Sir Alfred Hitchcock en Sir Charlie Chaplin de eer gunnen met respectievelijk de pakkende thriller Vertigo (1958) en de meesterlijke politieke satire The Great Dictator, Chaplins Hitler-parodie uit 1940. (Chaplin zou later, in zijn autobiografie uit 1964, zeggen dat hij de film, waarvoor hij in 1938 aan het script begon te werken, nooit had kunnen maken als hij toen geweten had van de gruwelijkheden en de dimensies van de Holocaust.)

Fotobron: WikiPedia | Lance Cpl. Melissa I. Ugalde | Public Domain
Iemand die beslist niet mag ontbreken in mijn lijst is de Amerikaanse acteur en regisseur Clint Eastwood, die op 31 mei 1930 in San Francisco het levenslicht mocht aanschouwen. De man is inmiddels maar liefst 96 lentes jong en heeft als acteur meer dan 50 filmrollen op zijn naam staan. Als regisseur is hij verantwoordelijk voor circa 40 rolprenten. Wat mij aantrekt in het oeuvre van Eastwood is zijn realistische stijl: zijn films zijn zelden kitscherig of over the top. Het menselijke aspect speelt met name in de door hem geregisseerde films een grote rol. Zijn portrettering van de hoofdrolspelers in klassiekers als de western Unforgiven (de Oscarwinnende film van 1992), het liefdesdrama The Bridges of Madison County uit 1995 (waarin hij Meryl Streep aan zijn zijde liet schitteren, wat haar een Oscarnominatie opleverde) of het boks- en euthanasie-drama Million Dollar Baby (2004, Oscars voor beste film, regie, hoofdrolspeelster Hillary Swank en beste mannelijke bijrol Morgan Freeman) is zonder overdrijving exquis te noemen: subtiel en doeltreffend.
Een van mijn favoriete Eastwoord-werkjes is de film Gran Torino uit 2008, waarin de toen reeds achtenzeventigjarige Eastwood de vuilbekkende Koreaveteraan Walt Kowalski speelt: een verbitterde weduwnaar die gromt op alles wat hem voor de voeten komt, met name buitenlanders. De manier waarop Eastwood Kowalski gedurende de film langzaam laat ontdooien en beetje bij beetje een vriendschap laat opbouwen met zijn door hem aanvankelijk verafschuwde Aziatisch-Amerikaanse buren (uit de Hmong-gemeenschap) is ontroerend te noemen. Net als het slot van de film, waarin de terminaal zieke Kowalski het ultieme offer brengt voor diezelfde buren, die geterroriseerd worden door een straatbende.
Het einde van de film, met de aftiteling en de titelsong waarin Eastwood zelf met zijn ‘stem van schuurpapier’ de eerste regels zingt, waarna de zoetgevooisde Jamie Cullum het overneemt (jazzliefhebber Eastwood zelf legde de grondsteen voor de melodie, die door Cullum uitgewerkt werd en van tekst werd voorzien) zal niemand na het zien van de film onberoerd laten:






