Als je mij zou vragen een Top 50 samen te stellen van beste popalbums aller tijden, acht ik de kans levensgroot aanwezig dat ik voor de discografie van Lewis Allen (Lou) Reed toch zeker minimaal een plaatsje of vijf, zes zou vrijmaken.
Lou’s vermaarde albumtrilogie van eind jaren tachtig, begin jaren negentig, de albums New York (1989), Songs for Drella (1990) en Magic and Loss (1992), daar kom ik simpelweg niet omheen. De albums zijn té steady van kwaliteit om ze níet op de nemen in mijn toplijstje:
New York: een plaat vol snoeiharde maatschappijkritiek, met als één van de veertien hoogtepunten het nummer Dirty Blvd. ‒ over de have en have-nots (”Give me your hungry, your tired, your poor, I’ll piss on ’m, that’s what the Statue of Bigotry says”). Een album als een boek of een gazet vol scherpe teksten, voorzien van glasheldere rockmuziek (bestaande uit lead- en ritmegitaar, bas, drums). Het betekende Reed’s terugkeer naar het epicentrum van de popwereld, nadat hij midden jaren tachtig enkele wisselvallige albums had afgeleverd.
Songs for Drella, het album dat hij samen maakte met zijn voormalige Velvet Underground-bandmaat John Cale, betreft een muzikale ode aan de een paar jaar daarvoor overleden Andy Warhol ‒ in de jaren zestig een van de stuwende krachten achter de Velvet Underground. Een minimalistisch maar ijzersterk album met naast de zangstemmen van beide heren Lou Reed op gitaar en John Cale op keyboard of altviool, er is verder geen enkel instrument op te horen. Hoogtepunt? Style It Takes, met een wonderschoon zingende en vioolspelende Cale.
Magic and Loss, ten slotte, is een album waarop Reed (onder andere n.a.v. de dood van zijn vriend de songwriter Doc Pomus) het sterven tot thematiek maakte. Voor mij een van de meest volwassen rockalbums ooit gemaakt, vandaar dat slechts weinigen ervan gehoord hebben: de rockindustrie is immers nogal vluchtig, drijft veelal op hypes. Het titelnummer Magic and Loss hoort mijns inziens thuis in het rijtje grote Reed-ballads, tezamen met nummers als Sad Song (1973), Coney Island Baby (1975), Street Hassle (1978), Think It Over (1980) en Vanishing Act (2003). Check het totaal onbekende Think It Over, zou ik zeggen, afkomstig van ’t tekstueel ijzersterke album Growing Up in Public: een pareltje, een van de mooiste lovesongs die je ooit gaat horen.
De Reed-albums Street Hassle (1978) en The Blue Mask (1982) (met daarop The Day John Kennedy Died, dat actueler dan ooit is) maken een goede kans om mijn album Top 50 binnen te sneaken, net als het livedubbelalbum Animal Serenade uit 2004 (met daarop onder andere het prachtige Tell It to Your Heart, een duet tussen Lou en zijn vaste bassist Fernando Saunders, een soort lovesong aan NYC ‒ met Jane Scarpantoni op cello). Sorry voor de fans, maar Transformer (1972) sla ik over, een leuk, funky album maar het ontbeert de diepgang van andere hier genoemde albums. Met alle respect voor Reed’s grootste hit, het legendarische Walk on the Wild Side, met het distinctieve understated geluid van een contrabas, baritonsaxofoon, brushes en een lijzig praatzingende Reed.

Fotobron: Wikipedia / Public Domain / Author: Marcelo Costa
Dan komen we onvermijdelijk uit bij Berlin, het iconische album uit 1973, regelmatig aangeduid middels kwalificaties als ‘het meest deprimerende album aller tijden’ of ‘Sgt. Pepper’s voor depressie’. Het album dat in 1973 door Rolling Stone Magazine werd omschreven als een ‘disaster’, vervolgens veertig jaar later door datzelfde magazine in hun album Top 500 werd opgenomen, zij het pas ergens rond de 350e plaats. (Datzelfde Rolling Stone Magazine had enkele jaren geleden de nerves om ene Gary Moore ‒ schrijver van het nummer Still Got the Blues, het meest iconische gitaarnummer dat ik ken ‒ niet op te nemen in hun gitaristen Top 250. Moraal van dit verhaal: Vaar nóóit op het kompas van ‘autoriteiten’ op het gebied van creativiteit, echt hélémaal nóóit, maar blijf altijd trouw aan je eigen smaak!)
Terug naar Berlin. Het album wordt beschouwd als een van de eerste conceptalbums uit de popgeschiedenis. Overigens net als het zes jaar eerder, in 1967, uitgekomen Sgt. Pepper’s van The Beatles, al is dat laatste album slechts een eenheid qua sfeer en concept, niet zozeer voor wat betreft de songteksten, wat wel geldt voor Berlin. Op Berlin verhaalt Reed in tien krachtige songs over de onderlinge verhoudingen tussen drie personen, een (naamloze) ik-persoon, ene Jim en ene Caroline. Na het chille titelnummer (Reed’s zang wordt slechts begeleid door een piano) volgen vijf min of meer ‘midtemponummers’, waarna de plaat wordt afgesloten door vier ontzagwekkende ballads, waarin het op de klippen lopen van een relatie centraal staat en Reed tekstueel niet bepaald om de hete brij heen draait ‒ zoals we van hem gewend zijn. Naast de vertrouwde rockinstrumenten (gitaar, bas, drums) horen we een blazerssectie die haar stempel op het album drukt, en in het slotnummer is er een hoofdrol weggelegd voor het London Philharmonic Orchestra.
Reed is nooit van de vage, pretentieuze, al te dichterlijke lappen tekst geweest, maar van klare taal, straattaal, taal van de underground, taal van echte mensen. David Bowie in een interview uit 1997 over de manier van schrijven Reed: Dylan had certainly brought a new kind of intelligence to popsongwriting, but then Lou had taken it even further into the avant-garde (…) He never wasted words. Patti Smith in 2015 bij de introductie van Lou Reed in de Rock and Roll Hall of Fame, twee jaar na diens verscheiden: He was a humanist, hurdling and raising the downtrodden. His subjects were his royalty that he crowned in his lyrics without judgement or irony (…) Lou was a poet, able to fold his poetry into his music in the most poignant and plain-spoken manner. Hij was alleszins trefzeker met zijn woorden. Lou is die ene oom waar je altijd bij terecht kunt, omdat je weet dat hij je nooit voor het lapje zal houden maar steevast open kaart zal spelen: in tekstueel opzicht nooit bullshitting around…
Berlin is wat mij betreft een perfect album, er staat niet één ‘filler’ op, alle tien de songs zijn uniek qua muzikaliteit en tekstueel gaat Reed tot het gaatje. Een donker album, maar voor mij persoonlijk kan het op bepaalde momenten juist weer een uplifting effect hebben. Het sluitstuk, het een kleine zeven minuten durende Sad Song, is hautingly beautiful: wonderschoon melancholiek.
Berlin: Reed’s magnum opus, dat decennia nadat het werd uitgebracht pas de erkenning kreeg die het verdiende en verdient.






Geef een reactie