Je gelooft het niet, maar Jonna is terug. Na vele, vele maanden Zanzibar. Na alle verhalen over zieke kindertjes, tropische ziektes, ontwikkelingshulp, hitte, zand, muggen en waarschijnlijk meer idealisme dan een mens normaal gesproken in één leven kan verdragen, is ze eindelijk weer thuis. Nou ja, thuis… Ze is al een tijdje terug, maar ik moet nog steeds een beetje wennen aan het idee. Niet alleen omdat ik inmiddels gewend was geraakt aan een leven waarin ik mijn koffie kan drinken zonder dat iemand meteen vraagt of ik eigenlijk wel genoeg kraanwater heb gedronken, maar vooral omdat Jonna niet alleen en niet naar mij is teruggekomen.
Ze heeft een Zanzibarbaar meegenomen. Zo noem ik hem. Een Zanzibarbaar is een man die je vriendin op Zanzibar heeft gekaapt. Die toevallig dokter is én toevallig werkte in hetzelfde ziekenhuis waar zij ook werkte. Toeval bestaat natuurlijk niet, maar zo’n internationaal vrijwilligersproject biedt kennelijk uitstekende dating-mogelijkheden voor mensen die Tinder te oppervlakkig vinden. En ik snap wel dat zulke dingen op een eiland als Zanzibar extra snel gaan.
Jonna kwam laatst met hem langs om hem even voor te stellen. Gewoon snel-snel, tussen ochtendkoffie en namiddagwodka door. Na een dik jaar moest dat ook wel kunnen, vond zij. En ik dacht: ach ja, waarom niet, als zij vindt dat het moet.
“Denis, dit is…”
En hop, ik ben zijn naam alweer vergeten. Ik weet alleen nog maar dat hij dus arts is. En dat hij Engels spreekt. En dat hij een Zanzibariaanse oerinwoner is (of misschien wel was; geen idee hoe lang hij blijft. Ik vrees lang.) En dat hij kennelijk alles bijzonder vindt. Dat laatste wordt al snel duidelijk.
“Dutch people are so open-minded,” oreert hij.
Ik kijk hem aan. “Are they?”
“Yes, yes! So tolerant. So open. You can be whoever you want to be here.”
Ik knik traag. Ik zou hem graag vertellen dat Nederlanders vooral tolerant zijn als het om anderen gaat; anderen waar ze niks mee te maken hebben. Die niet zogenaamd hun banen en huizen inpikken. Ja, we zijn uitermate tolerant, zolang die anderen maar niet voor onze deur parkeren. Maar goed, ik houd mijn mond. Want Jonna is erbij. Bovendien is het nog maar twaalf uur ’s middags en ik wil mijn dag niet meteen verpesten. Ik accepteer het allemaal. Dat is het volwassenste wat ik kan doen.
Jonna is gelukkig. Ze heeft haar avontuur gehad en heeft iemand gevonden met wie ze kennelijk nóg gelukkiger is dan ze ooit met mij was. Of had kunnen zijn. Wie ben ik dan om daar moeilijk over te doen? Onze relatie had trouwens al geen schijn van kans meer toen ze naar Zanzibar vertrok. Dat wist ik toen alleen nog niet helemaal. Of misschien wist ik het wel, maar vond ik het een prettiger idee om mezelf voor te houden dat liefde bestand is tegen driekwart jaar Afrika, tijdverschil en duizenden kilometers. Nou, dat is ie dus niet. Liefde is blijkbaar ook gewoon maar een plant die je water moet geven. Alleen kan iemand ondertussen besluiten dat er elders een mooiere pot staat.
Daarom ben ik bijvoorbeeld vorig jaar zomer maar alleen op vakantie gegaan. Kamperen in de Achterhoek. Met een camper, een klapstoel en mensen die bij het kampvuur over energetisch ademhalen en matcha-retraites praatten. Ik heb daar geleerd dat ik heel goed alleen kan zijn. Vooral als ik mijn stoel zo neerzet dat niemand me hoeft aan te kijken.
En dit jaar ga ik helemaal niet weg. Waarom zou ik? Om ergens anders tegen mensen aan te lopen die mijn innerlijke rust verstoren? Om in een hotelbed te liggen dat ruikt naar honderden (duizenden?) mensen die vóór mij hun problemen op het matras hebben achtergelaten? Om ergens voor veel te veel geld lauwe bocht te drinken, terwijl de zoveelste buitenlandse idioot naast me op het terras enthousiast blaat over het feit dat Nederlanders zulke fijne mensen zijn? Dat kan ik thuis ook krijgen.
Ja, Jonna is er weer. Inclusief Zanzibarbaar in haar rugzak.
En ik? Ik ben er nog. Nog steeds. Nergens geweest, nergens naartoe. Dat is tegenwoordig mijn ideale vakantiebestemming: het land van hier en nergens. En eerlijk gezegd bevalt het me best. Ik heb thuis alles wat ik nodig heb: een stuk gras, betaalbare wijn en inmiddels een hele kudde mensen om me blauw aan te ergeren.





Geef een reactie